Categorieën
Jezus van Nazareth

Wanneer heeft Jezus zijn ‘Gode gelijk zijn’ afgelegd?

Hij, in de gestalte Gods zijnde, heeft het Gode gelijk zijn niet als een roof geacht, maar heeft Zichzelf vernederd, en de gestalte van een slaaf aangenomen, en is aan de mensen gelijk geworden. In zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.” (Filippenzen 2:6-8)

De gangbare uitleg van dit gedeelte is dat God zichzelf zou hebben vernederd door mens te worden. Hetgeen dan ook de verklaring zou zijn voor het feit dat Jezus als God naar de aarde is gekomen. Dit kan natuurlijk niet waar zijn. De mens is nota bene geschapen naar Gods evenbeeld en gelijkenis en heeft de opdracht gekregen om te heersen over de schepping. De mens is een goddelijke creatie, dus dat God mens werd, is nu niet bepaald een vernedering. Hoe moeten we dit gedeelte dan wel lezen?

Er wordt in deze tekst gesproken over de gestalte van een slaaf aannemen. Een slaaf is een gevangene die de opdrachten die hij krijgt moet uitvoeren. De mens is een slaaf geworden van de oude mens, het vlees (ego). Als we niet tot inkeer komen volgen we het vlees tot op de ‘slachtbank’, de fysieke dood. Jezus heeft op een bepaald moment tijdens zijn bediening op aarde deze slaaf-gestalte van de mens (weer) aangenomen. Op deze manier heeft hij zich vernederd en het ‘Gode gelijk zijn’ – dat hij daarvoor wel was – niet als een roof geacht.

Terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen. En zie, een stem uit de hemelen zei: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.” (Matteüs 3:16,17)

Vanaf zijn doop wist Jezus wie hij als mens werkelijk was, de Christus. Hij was zich het ‘Gode gelijk zijn’ bewust geworden. Vanaf dat moment werd Jezus van Nazareth openbaar als zoon van God. Hij was wedergeboren en verzegeld met de heilige Geest (het beeld van de duif die neerdaalde), waardoor hij onvergankelijkheid had aangedaan. Jezus heerste volledig over de duisternis, hetgeen bevestigd werd door de verzoeking in de woestijn die na zijn doop volgde. Dit maakte hem onaantastbaar en ongrijpbaar.

Toen wilden ze hem grijpen, maar niemand deed hem iets, omdat zijn tijd nog niet gekomen was.” (Johannes 7:30)

Zolang Jezus het ‘Gode gelijk zijn’ nog niet had afgelegd, konden zijn vijanden hem niet grijpen. Zie ook Johannes 7:44; 8:59; 10:31; 10:39.

Jezus wist precies wat er met hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken jullie?’ Ze antwoordden: ‘Jezus uit Nazaret.’ ‘Ik ben het, ‘zei Jezus, terwijl Judas, zijn verrader, erbij stond. Toen hij zei: ‘Ik ben het, ‘deinsden ze achteruit en vielen op de grond. Weer vroeg Jezus: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden ze: ‘Jezus uit Nazaret.’ ‘Ik heb jullie al gezegd: “Ik ben het, ”‘zei Jezus. ‘Als jullie mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.’” (Johannes 18:4-8)

Dit gedeelte toont ons het moment waarop Jezus zijn ‘Gode gelijk zijn’ vrijwillig heeft afgelegd. Vlak voor het afleggen van zijn ‘Gode gelijk zijn’ deinsden degenen die hem gevangen wilde nemen – bij het horen van het antwoord van Jezus ‘Ik Ben het’ – nog achteruit en vielen op de grond. De tweede keer dat Jezus ‘ik ben het’ zei, had hij zijn ‘Gode gelijk zijn’ afgelegd en liet hij zich gevangen nemen. Vanaf dat moment werd hij ‘in zijn uiterlijk als een mens bevonden’, hetgeen wil zeggen dat hij zijn onvergankelijkheid kwijt was geraakt en zijn lichaam weer vergankelijk was. Jezus identificeerde zich vanaf dat moment weer volledig met de oude mens, het vlees, en is zodoende gelijk geworden aan de mens, die als slaaf in de duisternis wandelt. Vanaf dat moment begon de lijdensweg van Jezus, waar hij dus bewust voor gekozen heeft.

Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden.” (Hebreeën 2:17)

Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, doch zonder zijn doel te missen.” (Hebreeën 4:15)

Zolang wij naar het vlees wandelen, wandelen we in zonde, missen we ons doel. Jezus deed het echter doelbewust, omdat hij ons in alles gelijk wilde worden. Jezus miste zijn doel dus niet, door naar het vlees te wandelen. Zodoende heeft Jezus ook grote angst gekend en riep hij uiteindelijk aan het kruis: “mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”, hetgeen alleen valt te verklaren vanuit een wandel naar het vlees.

Waarom deed Jezus dit allemaal doelbewust? Moest Jezus op deze manier de straf dragen die wij als mensen hadden verdiend, waarna God ons pas zou kunnen vergeven? Was Jezus een zondoffer aan God? Nee! Jezus offerde zichzelf op voor / aan de mensheid. Hij wilde sterven als het ‘lichaam des vlezes’ (zie Kolossenzen 1:22). De boodschap van het kruis aan de mensheid is de boodschap dat we de oude mens, het vlees, voor gekruisigd moeten houden. We moeten het voor dood houden. Ons bekeren van de oude mens, het ego, naar ons ware Zelf, Christus in ons. God houdt het vlees, de oude mens, dan ook voor dood. Het bestaat niet voor God. En aangezien het lam van eeuwigheid al is geslacht (Openbaring 13:8) heeft de oude mens voor God nooit bestaan. God heeft niet van de verkeerde boom gegeten. God rekent niet met goed en kwaad en heeft dat nooit gedaan. Zolang wij dat wel doen zullen we een slaaf van het lichaam der zonde zijn. We mogen en kunnen (ja, moeten) het vlees, de oude mens, voor dood houden. Alleen dan zullen we opstaan als zoon of dochter van God en zal ons Licht gaan schijnen in de wereld.

Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer. Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen.”
(2 Korintiërs 5:16,17)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *